Veranderen gaat soms vanzelf

(december 2013)

Beleid en ruimtelijk ontwikkeling zijn twee kanten van dezelfde medaille. Bijna niemand durft het een tijdje te doen zónder beleid, al zijn er best spannende plekken te vinden. Zo zijn er dorpen zonder verkeersborden en wijken zonder welstandstoezicht – waar het goed toeven is. Durven we beleidsarm en flexibel te zijn?

P1000968Op dit moment beseffen we steeds meer dat we flexibel om moeten gaan met bestemming en gebruik. Er is wetgeving om dat makkelijker mogelijk te maken, beleidsmensen doen hun best om hun handen op de rug te houden, en ontwerpers en gebruikers bieden zich aan als voorlopers. Loslaten en beleidsruimte geven zijn de mantra’s van nú.
Leuke voorbeelden uit het verleden laten zien hoe dat heeft gewerkt. Daar kunnen we van leren, of we nu bezig zijn met transitie van kantoren, winkels en bedrijfsgebouwen of met een andere inzet van het maatschappelijk vastgoed. Tijd voor avontuur!

Zomaar een villa uit 1870
Voor de denkbeeldige villa die ik hier oproep zijn 10-tallen échte villa’s in de plaats te stellen: schoolvoorbeelden van eeuwigdurende verandering.
De villa uit dit verhaal is dus in 1870 gebouwd – volgens de toen geldende mode. In 1912 kwam een theeplanter terug uit Indië, met veel geld en met andere ideeën. Hij kocht de villa, brak hem af, en bouwde een nieuwe. Voor eigen rekening, niemand die hem een regel voorhield.
De jongste dochter van de theeplanter verzorgde haar vader tot diens dood in 1931. Dat verzorgen ging haar goed af, en ze begon een klein privé verzorgingshuis voor 9 mensen. Een prachtige nieuwe serre onderstreepte de klasse.
De oorlog zorgde toch wel voor gedoe. Tot haar schrik werd kamer voor kamer bij leegkomen gevorderd. Met wat extra duw en trekwerk door de bezetter zag de mejuffrouw zich in 1943 terug als kokkin voor 14 officieren.
In 1945 heeft ze nog korte tijd dat verzorgingshuis aan de praat gehouden. In 1949 is ze ermee gestopt. Dat was nog aardig wat gedoe met de ouderen, zo’n transitie doe je niet op een achternamiddag. Maar het is fatsoenlijk gelukt, vond iedereen achteraf.
De nieuwe eigenaar heeft er in 1951 een klein hotelpension van gemaakt, dat kon wel op die plek. Goeie business, zeggen we in hedendaagse taal. Hoe dat op dat moment precies met de regels zat weten we niet echt, het is in ieder geval gebeurd.
Maar de tijden blijven veranderen. Vakanties richten zich ook op het verre buitenland en er komt sleet op de plek. Maar er is ook nieuwe vraag. Onze villa kan die veranderende tijden aan: in 1974 wordt het een kantoor. De lokale Verkantoringsnota, om dit soort dingen tegen te gaan, verscheen pas in 1981.
Sommige mensen worden intussen rijker en rijker, en we krijgen weer wat gevoel voor mooie oude villa’s. Kantoormensen daarentegen denken liever aan nieuwe hedendaagse architectuur. Deal! In 1996 komt er een nieuwe eigenaar uit de eerste ICT-generatie, die er met een dure verbouwing weer een schitterend woonhuis van maakt. Om door een ringetje te halen.
De crisis slaat toe. De eigenaar komt met zijn zoveelste bedrijf in de problemen, hij wil van de villa af, en dat laat hij ondershands vallen onder vrienden en in de Lionsclub. Niet veel later – het is 2013 – wordt er contact opgenomen door iemand die wil kopen: een belegger in vastgoed voor rijke dementerenden.
Deal – of steekt de gemeente-met-de-provincie-in-zijn-nek er een stokje voor?

Mijn eigen huis en buurt
De laatste honderd jaar zie ik héél veel verandering.
Het was een straatje met winkels, kroegen, bovenwoningen. En ons huis was twee huisjes. Later zijn ze verheeld, want in de 20-er jaren is het een logement. Voor lang verblijf (werkers aan het Twentekanaal), maar ook wel voor kortdurend verblijf – zeg een half uurtje. Kroegen genoeg die deze specifieke vraag oproepen, helemaal als je weet dat er om de hoek een kazerne zit.
De buurt verkrot, de oorlog zorgt voor veel schade. Het huis komt in handen van een Lutherse stichting die er onze vrienden van de AA in onderbrengt. Met kroegen rondom een maatschappelijk edel doel en een goede markt.
Weer wat later wordt het pand een huurwoning: dat brengt de stichting meer geld op. Maar het gaat niet goed met het huis en met de stichting. Het huis wordt van de sloop gered en krijgt rond 1980 een haastige verbouwing. Boven zitten nog heel veel kleine kamertjes van 2.10 X 1.80 m1. Het wordt verkocht om de kas van de stichting te versterken.
Twee eigenaren verder is vastgesteld dat het huis laat-middeleeuws is. Er is een keldertje met zo’n tongewelf tevoorschijn gekomen en aan de achterzijde nog vier bolvensters. De megasterke balken uit 1546 en deels 1473 zorgen ervoor dat je het huis op 1001 manieren kan invullen.
Maar dit is niet een verhaal over één huis, het gaat over de hele straat. In de straat is nog één kroeg en één winkel. Alle andere winkels en kroegen zijn hartstikke leuke woningen geworden.
Is dat een horeca- en/of retailcrisis geweest, of is de straat meeveranderd met de tijd? Ik hou het zonder adviseurs, analisten en regelgevers op het laatste. Die straat is gewoon meeveranderd.

En dan al die pakhuizen, scholen, kerken, fabrieken en bollenschuren
Vanaf midden jaren ’70 tot eind ‘80 is er veel geld gestopt in de ‘verbouw van niet woongebouwen tot wonen’. Dat heeft geleid tot de gedaanteverandering van steden, buurten en gebouwen: vele 10-duizenden woningen en ook winkels en voorzieningen zijn zo tot stand gekomen. Tóen konden we dat, we hadden de vrijheid van geest om het zo te doen.
Op het Prinseneiland in Amsterdam heb je de eerste verbouwde pakhuizen met peperdure woningen; in een oude school in Bussum (met een gescheiden trap voor jongens en meisjes!) zijn juist kleine en goedkope appartementen gebouwd. In Apeldoorn en Arnhem zie je tot woningen verbouwde kazernes, en in Leiden heb je een lakenfabriek die eerst werd gebruikt voor de combinatie van een supermarkt+universiteit+cultureel centrum en later voor de combi supermarkt+woningen.
Kerken en kloosters zijn er echt in alle soorten en maten: congrescentrum, woningen, verslaafdenopvang, restaurant, textielhandel en omroepstudio.

Niet lang daarna is er de tijd gekomen van álles veranderen – de vlakgomstedebouw: álles slopen en met een nieuw idee beginnen. Er was genoeg geld, en het was ook leuk voor een bepaald type stedebouwer en architect.
Dat was óók de tijd, zo vanaf 1990, dat we ondanks alle oude pleidooien (70-er jaren!) voor deregulering aan diezelfde regels verslingerd zijn geraakt – niet alleen aan té veel regels maar vooral aan de luie houding ‘regel is regel’. Dat is mentaal lui, en dat is intellectueel lui.

Laten we blij zijn dat dat niet al te lang heeft geduurd – misschien 20 jaar. We moeten anders gaan denken als bestuurders en professionals in de ruimtelijke ontwikkeling, en kunnen om ons heen wijzen naar hartstikke leuke voorbeelden – van een tijdje terug – die laten zien hoe je dat kan doen. Hadden we tóen minder regels, stonden we tóen anders in ons vak, voelden we tóen meer ruimte in hoofd, hart en regelgeving? Ik denk het wel.
Fijn dat het met onze bestuursstijl weer de goede kant op gaat!

(Deze blog werd in beknopter vorm eerder geplaatst op het linkedinplatform Economie&Ruimte en het internetplatform van Bouwstenen voor Sociaal)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s