Wat is er mis met kleine scholen?

(mei 2013)

Een basisschool met minder dan honderd leerlingen kan in 2019 niet meer, vindt de Onderwijsraad. Waarom eigenlijk niet? Het hele veld, dat ook een plek in deze raad heeft, viel over het advies van de raad heen.

SSW-largeIn het advies van de Onderwijsraad zie je dat de kwaliteit van het onderwijs als maatstaf concurreert met artikel 23 van de Grondwet, waarin de onderwijskeuze van ouders wordt gegarandeerd. De kwaliteit van het onderwijs lijkt de kern te zijn van het pleidooi voor ‘minder of geen kleine scholen.’ De grondwettelijke vrijheid van onderwijskeuze is daarentegen de prikkel tot het standpunt ‘handhaven kleine scholen.’ Dat is het klassieke onderwijsdebat, dat we al 150 jaar kennen en sinds 1917 is bevroren.
Is dat wel het goede debat anno 2013? Is die centrale regie wel de bestuursstijl die anno nu past?

Kwaliteit staat voorop, en kosten tellen mee
De Onderwijsraad zet de kwaliteit van het onderwijs voorop. Daar is begrip voor op te brengen. Maar hoe zit het met de cijfers daarover? Van de kleine scholen is 6,5 % zwak. Van de andere scholen is dat 3 tot 4%. In die percentages zit retorisch gezien het addertje verborgen dat kleine scholen twee keer meer problemen kennen. Maar is dat wel zo? Zit dat verschil niet gewoon in het beschikbaar hebben en hoog waarderen van onderwijsdiensten die per definitie bij een grote school horen? Of moeten we wat extra steun en coaching geven aan onderwijzers met combi-klassen?
Bovendien haal je uit het rapport dat ongeveer 6000 leerlingen op zwakke kleine scholen zitten en ongeveer 60.000 leerlingen op zwakke grote scholen. Door veel aandacht en extra geldstromen te richten op fusies onder de kleintjes zullen we op zijn best 2.500 leerlingen bevrijden van zwak onderwijs. Hoeveel effect heb je als je die geldstromen richt op grotere scholen?!

De Onderwijsraad ziet ook grote verschillen in de kosten voor het onderwijs op grote en kleine scholen.
Een onderwijsplek op een piepkleine school met 25 leerlingen is 2,5 keer zo duur als op een kostentechnisch ideale school met tussen de 200 en 300 leerlingen. Voor scholen tussen de 50 en 100 leerlingen wordt dat verschil snel kleiner: gemiddeld 1,2 keer zo duur. Ook dat is weer een interessant cijfer. Veel kleine scholen zijn oud en zijn al tien keer afgeschreven. Veel nieuwe grote scholen staan als nieuw maatschappelijk vastgoed in de boeken met kolossale kapitaallasten.
Zijn de verschillen echt zo groot en is alles goed meegerekend? Bovendien: wat kosten fusies ‘out of pocket’, welke vastgoedwaarde gooi je weg en welke nieuwe kosten moet je maken? Er is betere kennis nodig voordat je ‘kosten’ een groot gewicht geeft.

De plaats van de kleine school in de samenleving
De Onderwijsraad is kortaf en defensief over de kwaliteit van het dorp, de buurt en de samenleving in relatie met de kleine school. De raad verwijst naar SCP-onderzoek dat aannemelijk maakt dat de aanwezigheid van een school gemiddeld genomen niet voorwaardelijk is voor de kwaliteit van een buurt of dorp; dat zit (ook) in andere zaken. Mensen leven immers ‘op grotere schaal’, of het nu gaat om werk, vriendschappen of onderwijs – is de observatie.
Dit SCP-onderzoek moet zorgvuldig worden geïnterpreteerd en ingezet. Er zijn verschillende groepen, leeftijden en leefstijlen in het landelijk gebied. Gezinnen met kinderen hebben andere wensen dan 50-plussers en 75-plussers. Je kunt die analyse niet zomaar doortrekken naar de stelling dat een dorp zonder kinderen ook gezellig kan zijn. Dat is net zo plat als de dramatische stelling dat een dorp zonder school ten dode is opgeschreven.
De kracht van het SCP-onderzoek is juist de nuance. De bepalende elementen voor ‘welbevinden’ en de motieven rond ‘zich vestigen’ of ‘blijven’ kennen wél de dimensie van school, winkel, buurthuis en verenigingsleven. Je moet preciezer en lokaal kijken waar ingrijpen of steun nodig zijn. Rijk en gemeenten maken van ‘cohesie’ in buurten en dorpen een groot punt, en bovendien is de overheersende bestuursstijl dat bewoners meer te zeggen moeten krijgen over hun eigen leefomgeving. De overheid moet durven loslaten en overlaten, maar zeker niet alléén laten; wel verbinden, maar niet vertrekken. Die nadruk op cohesie en een andere bestuursstijl gaat óók over voorzieningen, dus: wat wil de gemeenschap zelf?!
De Onderwijsraad lijkt met grove interpretaties en algemene regels een andere bestuursstijl te kiezen. De keuze voor wel/niet een school wordt centraal geregisseerd.

Veel verassingen in het feitenmateriaal
De facts & figures uit het rapport geven aanleiding tot veel verassingen. Dat is het leuke van feitenonderzoek: dat het anders is dan je dacht.
De eerste verassing: van de 1350 kleine scholen (minder dan 100 leerlingen) is éénderde de laatste school in het dorp: ‘the last school standing’. Maar in éénderde van de gevallen gaat het dus om kleine dorpen. Al die andere kleine scholen staan in plaatsen met meerdere scholen – in grote dorpen met een breder keuzepakket.
De tweede verassing: de meeste kleine scholen zitten bij de grote stromingen, minder bij de bijzondere en kleinere stromingen. Van het aantal openbare scholen is 25% klein, bij de protestants-christelijke scholen is dat 20%. Het bestaan van kleine scholen heeft dus een sterk verband met het beschikbaar houden van specifieke scholen (openbaar of bijzonder) op het palet van het onderwijsaanbod in een plaats met meerdere scholen. Díe kleine scholen zijn dus vooral verbonden met het debat rond artikel 23.
De derde verassing: slechts 1% van de basisschoolleerlingen woont meer dan drie kilometer van school. De ouders van ongeveer 8% van de kinderen hebben echter een school gekozen die drie kilometer of verder ligt. De verklaring zit niet of veel minder bij bevolkingsdichtheid, blijkt uit de cijfers. In het stedelijke Utrecht reizen kinderen meer dan in Overijssel of het landelijke Friesland. Het verschil in reizen zit vooral in de lokale cultuur.
De vierde verassing: de leerlingen reizen bij katholiek (ongeveer 5%), protestants-christelijk (ongeveer 6%) en openbaar onderwijs (ongeveer 7,5%) gemiddeld of minder. Het zijn de scholen van de kleine geloofsdenominaties en algemeen bijzonder onderwijs waar 20%-35% van de scholieren méér dan drie kilometer reist. Dat is de persoonlijke tol die wordt betaald voor een bijzondere onderwijskeuze.

Beleidsadviezen van de Onderwijsraad

Anderze inzet van extra middelen
Op dit moment krijgen gemeenten extra geld voor ‘kleine scholen’. Fuseer je naar groter – doe je wat wenselijk wordt gevonden – dan wordt de toeslag snel kleiner. Dat werkt in tégen fusies. Bovendien richt dit instrument zich zowel op klein in ‘de grote plaats’ als klein in ‘landelijk gebied’. Zijn de vraagstukken hetzelfde? De Onderwijsraad denkt van niet.
Het voorstel van de raad is dan ook: ken extra middelen toe bij lage bevolkingsdichtheid’. Dat helpt vooral het landelijk gebied. Dat is een goed idee!

Ondergrens voor schoolgrootte omhoog
Tegelijkertijd zegt de Onderwijsraad dat kleine scholen moeten opschalen naar tenminste vier groepen. Bij een ideale groepsgrootte van 25 kom je op 4 X 25 = 100 leerlingen voor ‘stand alone’ scholen. Dit lijkt omhoog onderhandeld. Een school met vier groepen van respectievelijk 20, 18, 20 en 18 kan een prima school zijn, dus waarom geen richtlijn van 75 leerlingen? En is dat een harde ondergrens, of een richtsnoer gedacht vanuit kwaliteit en geld? En waarom mag de lokale gemeenschap (ouders, scholen, gemeenteraad) niet zelf de keuze maken gegeven zo’n richtsnoer?
Artikel 23 van de Grondwet is toch wel bijzonder. Voor de ‘last standing’ school van welke denominatie dan ook (openbaar of bijzonder), in een plaats met méér scholen, is de ondergrens 50 leerlingen. Hier verdwijnen spontaan de overwegingen over kwaliteit van het onderwijs, de kosten, de vier klassen en de ideale groepsgrootte. Ook hier zou een richtsnoer van 75 leerlingen – lokaal uit te werken – reëel zijn.

Ruimte voor experimenten
Het advies van de Onderwijsraad staat vol met nog weer fijnere grenzen voor stedelijk gebied, met verplichte regionale afspraken en met procesvoorwaarden en tijdspaden. Die bestuurlijke denkwijze van erboven-op-zitten-en-dicht regelen sluit helemaal aan bij een bestaande wet die een beetje wordt verruimd: de Wet Innovatieve Experimenteerruimte Onderwijs. Experimenten mogen, maar alleen als ze in de wet zijn voorzien – zoiets. Nog even afgezien van het pleonasme: wat te doen met een echt experiment dat, zoals het hoort, juist níet in de wet is voorzien?

We leven in een tijd dat je zou menen dat de democratische legitimiteit lokaal en rond scholen prima is geborgd. Geef veel meer beleidsruimte. Houd het simpel met de rekenkundige onderlegger van middelentoekenning en een eenduidige kwaliteitsmaatstaf. En laten de ouders, de scholen en de gemeenteraad het zelf oplossen.
Het gaat om vertrouwen in de kwaliteit van het lokale gesprek en niet om het landsbreed vast timmeren van de gewenste uitkomst.

 

**************************************************************************************************************

(Dit stuk werd eerder gepost op de internet site van Bouwstenen voor Sociaal)

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s